Genesis 1-2

Genesis 1 en 2 beschrijven de schepping van de wereld door God.

Genesis 1 vertelt hoe God in zes dagen de hemel en de aarde schept, beginnend met licht, vervolgens het uitspansel, droog land en planten, de zon, maan en sterren, waterdieren en vogels, en ten slotte landdieren en de mens. Op de zevende dag rust God en verklaart deze dag heilig. De mens wordt geschapen naar Gods beeld, als man en vrouw, en krijgt de opdracht om over de aarde te heersen en haar te bewaren.

Genesis 2 zoomt meer in op de schepping van de mens. God vormt de mens uit het stof van de aarde en blaast levensadem in zijn neusgaten. Hij plaatst de mens in de Hof van Eden, met de opdracht om de hof te bewerken en te bewaren. Er wordt een waarschuwing gegeven om niet te eten van de boom van kennis van goed en kwaad. Omdat het niet goed is dat de mens alleen is, schept God de vrouw uit een rib van de man, waarmee de basis wordt gelegd voor het huwelijk.

Kortom, de eerste twee hoofdstukken van Genesis beschrijven Gods almachtige schepping van de kosmos en de mens, en leggen de fundamentele relatie tussen God, de mens en de schepping vast.